Judith van Erp over toezicht en wetenschap

    Hadewych
    • Iedereen (publiek zichtbaar)
    • 40
    Door Hadewych 369 dagen geleden

    In: Tijdschrift voor Toezicht december 2017, Boomportaal

    De afgelopen maanden zijn twee voor het toezicht belangrijke hoogleraren koninklijk onderscheiden. Ter gelegenheid van hun emeritaat werd op 17 maart Paul Robben en op 1 september Henk van de Bunt benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. En dat is zeer verdiend: beiden leverden belangrijke bijdragen aan de wetenschap op het terrein van toezicht.
    Paul Robben was bijzonder hoogleraar Effectiviteit van toezicht op de kwaliteit van de gezondheidszorg bij het Instituut Beleid en Management Gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Als medeoprichter van de Academische Werkplaats Toezicht van de Inspectie Gezondheidszorg sloeg hij een brug tussen wetenschappelijk onderzoek en de toezichtpraktijk, en was hij betrokken bij vele wetenschappelijke (promotie)onderzoeken die binnen de IGZ zijn uitgevoerd. Zijn publicaties over onder andere systeemtoezicht en incidententoezicht hebben bijgedragen aan het lerend vermogen van de IGZ en andere toezichthouders, ook in het buitenland.
    Hoogleraar Criminologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam Henk van de Bunt was halverwege de jaren negentig, als een van de leden van het onderzoeksteam van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden (Van Traa), een van de eersten die aandacht vroeg voor de faciliterende rol van makelaars, notarissen en advocaten bij georganiseerde misdaad. Als directeur van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) stond hij aan de wieg van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit,1x <www.wodc.nl/cijfers-en-prognoses/Georganiseerde-criminaliteit/>. en als hoogleraar Criminologie zette hij in Nederland het thema organisatiecriminaliteit op de kaart. Zijn onderzoeken naar de bouw- en vastgoedfraude leverden belangrijke inzichten op voor bestuurlijke handhaving en preventie van fraude.
    Robben en Van de Bunt zijn wetenschappers van de oude stempel. Daarmee doel ik niet op het beeld van stoffige wetenschappers in een ivoren toren. Integendeel: hun academische carrières kenmerken zich door nauwe betrokkenheid bij de toezichtpraktijk en grote relevantie van hun onderzoek daarvoor – zij deden aan ‘valorisatie’ voordat het woord bestond, en stonden tegelijkertijd steeds voor onafhankelijkheid van onderzoek. Hoewel beide wetenschappers diverse kwalitatief hoogstaande internationale artikelen hebben gepubliceerd, denk ik toch niet dat ik hun tekortdoe als ik stel dat de belangrijkste bijdrage van hun onderzoek ligt in de relevantie voor de toezichtpraktijk.
    Een dergelijke invulling van een academische carrière wordt in de sociale wetenschappen steeds zeldzamer. In de afgelopen twintig jaar is academisch succes steeds meer in het teken komen te staan van citatiescores en impactfactoren van internationale wetenschappelijke tijdschriften. De laatste jaren heeft dat tot stevige kritiek geleid op de steeds beperktere maatschappelijke relevantie van onderzoek in de sociale wetenschappen. Die kritiek richt zich op het steeds technischer, ‘scholastischer’ onderzoek waarin geavanceerde complexe onderzoekstechnieken doorslaggevender zijn voor publicatie dan relevantie. Sociologen en politicologen lijken ernaar te streven, zoals de Amerikaanse politicoloog Joseph Nye in de New York Times 2xNew York Times, 13 april 2009. klaagde, steeds meer van steeds minder te begrijpen. Verschillende critici beschuldigen de hedendaagse politicologie van ‘navelstaren’, en verwijten haar narcistisch, ontoegankelijk en zelfs onbegrijpelijk te zijn, en in ieder geval ver af te staan van het publieke debat.3x M. Flinders, ‘The Tyranny of Relevance and the Art of Translation’, Political Studies Review 2013, nr. 11, p. 149-167. Dat verwijt klinkt ook ten aanzien van sommige sociologen, criminologen en bestuurskundigen.4x In Nederland o.a. verwoord door socioloog Willem Schinkel (W. Schinkel, ‘Wat zijn de publieke taken van de universiteit?’, Beleid & Maatschappij 2015, nr. 1, p. 51-54); criminoloog Willem de Haan (W. de Haan, ‘Publieke criminologie, een criminologie die ertoe doet?’, Delikt en Delinkwent 2008, nr. 10, p. 1051-1060) en politicoloog/bestuurskundige Mark Bovens (M. Bovens, ‘Een pleidooi voor meer publieke politicologie’, Res Publica 2016).
    Daartegenover staat, in ieder geval in de bestuurskunde en criminologie, een stroming van ‘beleidsgericht’ en ‘instrumenteel’ onderzoek. Er is in Nederland, zeker vergeleken met het buitenland, een grote belangstelling voor wetenschappelijk onderzoek bij inspecties, markttoezichthouders en beleidsdepartementen. Dat heeft zelfs geleid tot hoogwaardige onderzoeksprogramma’s, zoals Handhaving en Gedrag; het programma Effectief Toezicht van ZonMw; netwerken zoals de VIDE academische werkplaats toezicht, en natuurlijk Tijdschrift voor Toezicht. Ondanks deze initiatieven blijft de impact van onderzoek toch vaak beperkt en kennen maar weinig onderzoeken een groot bereik buiten de organisatie waarvoor ze worden verricht – een bekend nadeel van instrumenteel onderzoek, dat blijft binnen de kaders van de beleidsvraag. Er is sprake van fragmentatie en versnippering van kennis: de inzichten die opgedaan worden, bouwen lang niet altijd voort op eerder onderzoek, noch worden ze systematisch gedeeld en geïntegreerd met kennis op andere toezichtdomeinen. Is het bijvoorbeeld niet hoog tijd voor een integratie van de inzichten die zijn opgedaan in diverse evaluaties van toezichthouders die de afgelopen jaren zijn verricht, om er lessen uit te trekken?
    Kortom, de vertaalslag van wetenschap naar toezicht, en andersom, kan nog verder verbeteren. De Inspectieraad heeft daarom het initiatief genomen tot het opstellen van een Wetenschapsagenda Toezicht, die tot doel heeft om de interactie tussen wetenschappers in verschillende disciplines en toezichthouders te bevorderen. De Wetenschapsagenda Toezicht wil geen kennisagenda zijn die door inspecties wordt opgesteld en door wetenschappers uitgevoerd. Het doel van de agenda is veeleer het op gang brengen van een reflexieve dialoog ten aanzien van toezichtvraagstukken, door agendering van deze vraagstukken in wetenschappelijke netwerken. Tegelijkertijd zou door reflexievere vraagstellingen kunnen worden voorkomen dat derdegeldstroomonderzoek als ‘hapklare brokken’ wordt opgediend die snel worden verteerd, waarmee de langetermijnimpact van onderzoek mogelijk wordt vergroot.
    Zo’n wetenschapsagenda is een langetermijnagenda. De komende maanden zal een eerste stap worden gezet met de ontwikkeling ervan in een proces waaraan ik samen met prof. Martijn van der Steen (EUR) leiding mag geven.5x Voor meer informatie zie <www.rijksinspecties.nl/academie-voor-toezicht/kennis-delen-en-kennisontwikkeling/wetenschapsagenda>. Daartoe zullen we een dialoog in gang zetten met wetenschappers, toezichtprofessionals en experts, en ook voorbeelden onderzoeken van onderzoeksinstituten en initiatieven die erin slagen een goede vertaalslag te maken tussen beleid en wetenschap. Uw bijdrage aan deze dialoog is welkom op wetenschapsagendatoezicht@uu.nl.

    Noten

    • 1 <www.wodc.nl/cijfers-en-prognoses/Georganiseerde-criminaliteit/>.

    • 2 New York Times, 13 april 2009.

    • 3 M. Flinders, ‘The Tyranny of Relevance and the Art of Translation’, Political Studies Review 2013, nr. 11, p. 149-167.

    • 4 In Nederland o.a. verwoord door socioloog Willem Schinkel (W. Schinkel, ‘Wat zijn de publieke taken van de universiteit?’, Beleid & Maatschappij 2015, nr. 1, p. 51-54); criminoloog Willem de Haan (W. de Haan, ‘Publieke criminologie, een criminologie die ertoe doet?’, Delikt en Delinkwent 2008, nr. 10, p. 1051-1060) en politicoloog/bestuurskundige Mark Bovens (M. Bovens, ‘Een pleidooi voor meer publieke politicologie’, Res Publica 2016).

    • 5 Voor meer informatie zie <www.rijksinspecties.nl/academie-voor-toezicht/kennis-delen-en-kennisontwikkeling/wetenschapsagenda>.

    Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers