Navigatiemenu

Vertrouwen

Laatst bijgewerkt op 690 dagen geleden door Hadewych

Vertrouwen van burgers in de overheid en in elkaar is afhankelijk van de kwaliteit van de overheid. Andersom is effectiviteit van de overheid afhankelijk van maatschappelijk vertrouwen.

 

Bo Rothstein, Jan Teorell, What Is Quality of Government? A Theory of Impartial Government Institutions 2008

De auteurs definiëren ‘kwaliteit van de overheid’ als: de onpartijdigheid van instituties die overheidsgezag hebben.

Kwaliteit van de overheid gaat over zowel de input-zijde (gelijkheid, gelijke kansen) als over de output (welzijn, gelijke behandeling). Democratie, recht en effectiviteit zijn alledrie belangrijke aspecten van de kwaliteit van de overheid, en in het concept ‘onpartijdigheid’ liggen ze alledrie besloten.

Effectiviteit gaat over responsiviteit (doet de overheid de juiste dingen?) en efficiency (succesvol leveren van publieke goederen en effectief besteden van publieke middelen).

In verschillende sferen van het leven gelden verschillende normen voor welke belangen legitiem zijn en welke niet. Onpartijdigheid betekent volgens de auteurs dat ambtenaren begrijpen welke normen gelden in welke sfeer en daar adequaat naar handelen. Dat impliceert dat belangenverstrengeling, discriminatie en willekeur uit den boze zijn.

“a traditional rule-based Weberian bureaucracy may in some areas be an incarnation of the impartiality principle but so may a public organization that is based on strong commitment to the policy goals while implementing these goals with a degree of flexibility”

 

Mark E. Warren (ed) Democracy and Trust 1999

Effectiviteit van de overheid veronderstelt toezicht (monitoring) en  handhaving. Er is een rechtstreeks verband tussen gebrek aan politiek vertrouwen (waardoor de legitimiteit van de wet wordt ondergraven) en illegaal gedrag.

Handhaving kan naleving opleveren, niet vertrouwen. (…) De meeste mensen leven de wet na, niet uit angst voor straf maar omdat ze vinden dat het recht eerlijk is. (Tyler 1990) Andersom is wel waar: als er weinig sociaal vertrouwen is (dus van burgers onderling) moeten burgers vertrouwen op formeel toezicht en handhaving.

Een groeiende hoeveelheid overheidsbeleid ontwerpt en schrijft voor hoe publieke belangen gerealiseerd moeten worden en hoe maatschappelijke schade bestreden moet worden, maar door burgerrerchten ingeperkt staatstoezicht en handhaving zijn onvoldoende om het beleid gezaghebbend te implementeren. In zulke gevallen zijn de ultieme handhavers de ‘betere ikken’ van burgers die in staat en bereid zijn om zich verantwoordelijk en redelijk te gedragen. Overheidsbeleid kan dan alleen richting geven, morele overtuiging, en faciliteiten.

Maar zulke ‘betere ikken’ werken alleen als burgers er op kunnen vertrouwen dat de meerderheid van hun medeburgers even gedisciplineerd en goedwillend zijn als zijzelf. Daarom bevordert een perceptie van effectieve handhaving zowel het sociaal vertrouwen als de naleving.

 

Hoe werkt politiek vertrouwen?

Paul Dekker en Tom van der Meer stellen dat burgers hun vertrouwen baseren op vier kenmerken van instituties: competentie, zorg, verantwoordelijkheid en betrouwbaarheid.

  • Competentie: zijn ze in staat om hun taak te doen? Hebben ze voldoende capaciteit, bevoegdheden en deskundigheid?
  • Zorg: willen ze oprecht het algemeen belang dienen?
  • Verantwoordelijkheid: zijn ze bereid taken op zich te nemen, beslissingen te motiveren en verantwoording af te leggen?
  • Betrouwbaarheid: zijn ze integer, doen ze wat ze zeggen, voeren ze hun werk consistent uit?

Heterogeniteit in een bevolking heeft geen effect op het algemene politieke vertrouwen in een land, maar wel het percentage verliezers. Hoe groter de groep burgers die zichzelf als verliezers of benadeelden van globalisering en overheidsbeleid beschouwen, hoe lager het algemene politieke vertrouwen of de sociale cohesie.

Burgers zijn kritischer geworden en in een volwassen democratie is dat een gezond fenomeen. Burgers moeten niet zonder meer het gezag van autoriteiten accepteren maar hun handelen kritisch onderzoeken. Bijzonder is wel dat het enerzijds juist de hoger opgeleiden zijn die kritisch om verantwoording vragen, terwijl anderzijds juist hoger opgeleiden meer vertrouwen hebben in politieke instituties (vanwege hogere internal efficacy). Verantwoording verlangen is kennelijk geen teken van wantrouwen.

Normaal gesproken is vertrouwen een gevolg van eigen, rechtstreekse ervaring met iets of iemand. Met politieke instituties (of ondertoezichtstaanden) hebben burgers zelden directe ervaring, maar toch varieert hun vertrouwen. Bovendien is het vertrouwen veelal ééndimensionaal, d.w.z. dat de mate van vertrouwen in ‘de overheid’ of ‘politieke instituties’ van een burger voor alle instituties en organisaties ongeveer even groot is, ongeacht met welke organisatie ze ervaring hebben. Met andere woorden, politiek vertrouwen is een algemene beoordeling van de politieke cultuur waardoor politici en ambtenaren zich laten leiden.

Opinies van burgers worden wel veranderlijker, doordat burgers beter geïnformeerd en politiek meer geïnteresseerd en tegelijk minder partijgebonden zijn, terwijl overheden om moeten gaan met globalisering en de alomtegenwoordigheid van media en internet met democratisering als gevolg.

Op basis van:

Tom van der Meer, Armen Hakhverdian, Political Trust as the Evaluation of Process and Performance: A Cross-National Study of 42 European Countries 2016

Tom van der Meer, In what we trust? A multi-level study into trust in parliament as an evaluation of state characteristics 2010

Sonja Zmerli,Marc Hooghe (eds), Political Trust: Why Context Matters 2011

Tom van der Meer, In what we trust? A multi-level study into trust in parliament as an evaluation of state characteristics, 2010

Steven Van de Walle, Steven Van Roosbroek, Geert Bouckaert, Trust in the public sector: is there any evidence for a long-term decline? 2008

Bo Rothstein, Jan Teorell, What Is Quality of Government? A Theory of Impartial Government Institutions 2008

Peter Kotzian, Conditional trust: The role of individual and system-level features for trust and confidence in institutions 2011

Mark E. Warren (ed) Democracy and Trust 1999

Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers