Goed toezicht - oratie Ian Leistikow

Laatst bijgewerkt op 343 dagen geleden door Hadewych

In zijn oratie The proof of the pudding; De waarde van overheidstoezicht op kwaliteit en veiligheid van de gezondheidszorg, behandelt Ian Leistikow de ontwikkeling van toezicht, gericht op het afdwingen van regelnaleving, naar toezicht, gericht op maatschappelijke meerwaarde. Hij laat zien dat die meerwaarde bepaald wordt door de waarde die verschillende groepen hechten aan het toezicht: consumenten/cliënten (patiënten), ondertoezichtstaanden (professionals), politiek, publiek. Verder laat hij zien dat een toezichthouder zich niet alleen moet bezinnen op de vraag wat de meerwaarde van het toezicht is, maar ook moet leren hoe meerwaarde geleverd kan worden.

Daartoe biedt hij een model waarin de strategische stappen van toezichtontwikkeling doorlopen kunnen worden:

  1. Expliciet maken van het bestaansrecht van de toezichthouder;
  2. Afbakenen van het risico of het probleem dat aandacht behoeft;
  3. Bepalen wie door de toezichthouder kan worden aangesproken;
  4. Bepalen welk gedrag van deze actor gewenst is om het risico of probleem te verminderen;
  5. Scherp krijgen welk uiteindelijke doel met het gewenste gedrag bereikt moet worden;
  6. Ontwerpen en toepassen van een interventie om dit gedrag te bewerkstelligen;
  7. Vaststellen van de gevolgen van de interventie;
  8. Verspreiden van de uitkomsten en geleerde lessen.

Bestaansrecht

Foucault stelde dat de toezichthouder erop toeziet dat men zich houdt aan de afgesproken gedragsregels, en een sanctie oplegt als er van het gewenste gedrag wordt afgewegen. Maar volgens de WRR leidt zo’n eenzijdige focus op naleving en handhaving onherroepelijk tot teleurstelling over het functioneren van het toezicht. Daarom moet een toezichthouder voorbij de grenzen van wet- en regelgeving kijken, en op zoek gaan naar risico’s en bedreigingen voor het gehele systeem waarop hij toezicht houdt. Om politieke steun voor die andere rol te verwerven moeten toezichthouders zich verantwoorden in termen van maatschappelijke effecten.

Risico’s

Om zinvol in te zetten op bepaalde onderwerpen of risico’s moet een toezichthouder begrijpen om wat voor type risico het gaat. Daarbij komen vragen aan de orde als het type schade dat er mee verbonden is, wie schade zou lijden en (zie WRR, Onzekere veiligheid) het type probleem dat er aan de hand is: eenvoudig, complex, onzeker of ambigu. Bovendien verschillen risico’s naar de mate van aanvaardbaarheid van een incident. Tenslotte is het niet altijd mogelijk om de risicoveroorzaker aan te spreken, bijvoorbeeld als het om illegale activiteiten gaat.

Om adequaat met onzekere en ambigue risicovraagstukken om te gaan, moet een toezichthouder niet meer de vraag beantwoorden hoe ze bij kan dragen aan het verkleinen van het risico, maar wie kan helpen bij het begrijpen van het risico en de beste aanpak (zie ook het proefschrift van Suzanne Rutz).

Gewenst gedrag

“Het expliciet maken welk gedrag de toezichthouder verwacht, is de stap die de grootste impact heeft op de potentiële meerwaarde van het toezicht.” Toezichthouders moeten er wel rekening mee houden dat er perverse prikkels vanuit gaan, bijvoorbeeld als ze gedrag identificeren dat conflicterende uitkomsten genereert voor een ondertoezichtstaande versus een cliënt. “Als toezichthouder moet je dergelijke consequenties kunnen voorzien, of in ieder geval snel kunnen herkennen.”

Doel

Het ultieme doel van toezicht is meerwaarde creëren ten opzichte van de situatie waarin geen toezicht zou zijn geweest. Volgens Leistikow zijn er “vier generieke doelstellingen die de inspectie kan nastreven, waarmee zij vanuit haar rol bijdraagt aan kwaliteit van zorg. Afhankelijk van het type risico en de fase waarin het veld zich bevindt, zijn dat:

  • Agendering van het risico;
  • Normontwikkeling;
  • Vaststellen van de norm;
  • Toename van naleving van de norm.”

De inspectie kan die doelstellingen vaak niet zelf bereiken, maar kan wel interventies toepassen die eraan bijdragen dat de doelen bereikt worden.

Het formuleren van het doel kan bijdragen aan het leren in de toezichtorganisatie: bespreken waarvoor je iets doet helpt om een effectieve strategie te bepalen.

Als er te weinig zelfreflectie en lerend vermogen is, verworden de toezichtdoelen al gauw tot output- of interne procesdoelen: (zie Sparrow) “De toezichthouder benoemt een probleem waar zij zich op wil richten. Dit probleem is te groot en wordt in overzichtelijk stukken verdeeld. De toezichthouder ontwerpt werkprocessen om aan deze deelproblemen te werken. Vervolgens gaat de energie van de toezichthouder zich richten op het managen van die interne werkprocessen. Onbewust verworden deze processen tot een doel op zich. Dit uit zich dan in doelstellingen die gericht zijn op het goed uitvoeren van de eigen werkprocessen, in plaats van op het verminderen van het oorspronkelijke probleem.”

Interventie

Om effectief te interveniëren moet een toezichthouder de onderliggende mechanismen begrijpen die maken dat een ondertoezichtstaande zich wel of juist niet aan de regels houdt.

Een heel effectieve interventie zou wel eens kunnen zijn om ondertoezichtstaande een spiegel voor te houden, zonder te oordelen en dus ook zonder nadere actie te ondernemen (zonder te interveniëren in de klassieke betekenis).

Effect meten

Om te kunnen leren moeten effecten onderzocht worden, maar dat onderzoek hoeft niet altijd wetenschappelijk verantwoord te zijn. Sterker nog, “het bestuderen van de effecten van toezicht moet een integraal onderdeel worden van het toezicht zelf, niet een losstaande academische exercitie.” Inspecteurs zouden doorgaans zelf in staat moeten zijn om de resultaten van hun werk inzichtelijk te maken.

Publiceren

Communicatie heeft niet alleen een informerende functie, het is ook een interventie in zichzelf. Het kan bijdragen aan het publieke vertrouwen in de toezichthouder en aan het nalevingsgedrag van ondertoezichtstaanden.

Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers