Civielrechtelijke aansprakelijkheid voor falend toezicht

Laatst bijgewerkt op 181 dagen geleden door Hadewych Reacties (3)

Enkele jaren geleden heeft Willemijn Drost in een masterscriptie onderzocht of de IGZ aansprakelijk zou kunnen worden gesteld als patiënten schade lijden door falend toezicht. Zie De IGZ en haar civielrechtelijke aansprakelijkheid voor falend toezicht (2013).

Zie ook deze memo over aansprakelijkheid bij onvoldoende toezicht

Een beperkte samenvatting:

Handhavingsplicht versus beleidsvrijheid

De overheid (toezichthouders) hebben in principe een handhavingsplicht. De Raad van State, het EHRM en verschillende civiele rechters hebben dat vastgesteld. Die handhavingsplicht vloeit voort uit de taken en bevoegdheden van een toezichthouder: op de toezichthouder als behartiger van het algemeen belang en als beschermer tegen persoonlijke risico’s, rust een zorgplicht. Burgers mogen erop vertrouwen dat een overheidslichaam toezicht houdt op de naleving van regels. Bovendien hebben toezichthouders een ‘kennis- en kunde-overschot’: de overheid heeft de mogelijkheid om op de hoogte te zijn van risico’s, bovendien kan de overheid iets aan die risico’s doen door deze te beperken en te voorkomen.

“Toezichthouders hebben de verplichting (EHRM) om preventief op te treden indien zij kennis hebben of behoren te hebben van potentieel en direct gevaar voor het leven van personen.” Artikel 2 EVRM legt immers op Staten een positieve verplichting om preventief maatregelen te nemen indien de Staat kennis heeft of behoort te hebben van een daadwerkelijk en onmiddellijk gevaar voor het leven van zijn inwoners.

Wel is het zo dat toezichthouders enige discretionaire vrijheid hebben, de ruimte om toezichtbeleid te voeren, om belangen tegen elkaar af te wegen, een eigen beoordelingsvrijheid en de vrijheid om zelf te bepalen hoe toezichtcapaciteit wordt ingezet. Bovendien moet handhavend optreden door een toezichthouder voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dus het moet zorgvuldig, subsidiair, evenredig, doelmatig en proportioneel gebeuren. (Het gaat hier om de beleidsvrijheid van de toezichthouder. Als de toezichthouder slechts beleid (van de minister) uitvoert, heeft ze zelf geen discretionaire ruimte.)

Tegelijk wordt erkend dat het een illusie is om te denken, dat als een toezichthouder voldoet aan de beginselplicht tot handhaving, dan alle gevaarlijke en risicovolle situaties voorkomen zouden kunnen worden.

Zo ontstaat het ‘toezichtdilemma’: als een toezichthouder te snel of te ‘hard’ optreedt kan ze de medewerking van een ondertoezichtstaande verliezen, waardoor ze minder effectief wordt. Maar als een toezichthouder niet voldoende handhavend optreedt blijven kunnen risico’s blijven voortduren en kan het publiek het vertrouwen in de overheid verliezen.

Juridisch kan een toezichthouder dan ook van handhavend optreden afzien, als dat maar voldoende wordt gemotiveerd en niet tot direct en voorzienbaar gevaar leidt.

“Dat zich een risico verwezenlijkt waarvan de overheid op de hoogte was of had moeten zijn, is volgens de rechtbank niet voldoende om aansprakelijkheid van de Staat (…) aan te nemen. Sprake dient te zijn van een risico dat dermate groot was, dat daaruit voor de overheid een rechtsplicht voortvloeide om maatregelen te nemen die dat risico verkleinen. Daarbij spelen volgens de rechtbank zowel de aard van de mogelijke effecten als de kans dat deze optreden een rol. Bovendien dienen de kosten van een dergelijk optreden te worden afgewogen tegen de voordelen ervan.”

Algemeen versus concreet

Voor zover het toezicht gericht is op de algemene kwaliteit, veiligheid, duurzaamheid enz. op een bepaald beleidsterrein, zal het vóórkomen van incidenten de toezichthouder niet snel zodanig verweten worden dat zij ook civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Maar toezichthouders kunnen en moeten ook optreden in concrete situaties, om specifieke risico’s voor derden te beperken. Dat geldt al helemaal als de toezichthouder wist, of had moeten weten, dat die risico’s bestonden.

‘Had moeten weten’ duidt erop dat toezichthouders voldoende controles moeten uitvoeren, en geacht worden deskundig genoeg te zijn, of signalen van mogelijke risico’s adequaat moeten verwerken.

Primaire en secundaire dader

Als er schade of letsel ontstaat doordat risico’s onvoldoende beheerst werden of door roekeloos gedrag, zal de toezichthouder meestal secundair verantwoordelijk zijn. De ondertoezichtstaande is de primaire dader.

Toch mogen burgers die schade lijden (‘derden’) veel van de toezichthouder verwachten, die heeft immers een zware zorgplicht. Nalaten om handhavend op te treden kan daardoor een onrechtmatige daad zijn jegens zo’n derde. In Nederland kan de burger die schade lijdt zowel de primaire dader als de toezichthouder aansprakelijk stellen, en als de rechter die aansprakelijkheid vaststelt zijn beide ‘daders’ aansprakelijk voor de gehele schade. Meestal zal de toezichthouder voor de schade opdraaien omdat de overheid nou eenmaal meer geld heeft of omdat de primaire dader niet meer te achterhalen is. De toezichthouder kan dan wel regres nemen op de primaire dader.

Reacties

Volgorde van reacties: Aantal: Automatisch laden:
    • Hadewych
      Hadewych 119 dagen geleden

      Zie ook het boek Toezicht en aansprakelijkheid van Ivo Giesen.

      • Hadewych
        Hadewych 133 dagen geleden

        Ivo Giesen vindt dat toezichthouders ”… moeten zo zorgvuldig mogelijk handelen, goede protocollen maken en die ook naleven. Verder is het belangrijk om gemaakte keuzes goed te motiveren en vooral niet te krampachtig te gaan werken. Ook is het verstandig financiële reserves op te bouwen of zich zo goed mogelijk goed te verzekeren, voor als er toch een keer iets misgaat. Want dat kan natuurlijk altijd gebeuren - toezicht houden blijft mensenwerk”

        • Hadewych
          Hadewych 174 dagen geleden

          Zie ook HR asbestHR asbest 

          Het toezicht door de Arbeidsinspectie strekt tot bescherming van (de gezondheid van) werknemers. Het onvoldoende uitoefenen van dat toezicht kan dan ook onder omstandigheden onrechtmatig zijn jegens de werknemer die schade lijdt door de overtreding van regels op de naleving waarvan de Arbeidsinspectie toezicht dient te houden. Bij de beoordeling of van deze onrechtmatigheid sprake is, moet rekening worden gehouden met de hiervoor in 3.4.2 vermelde beleids- en beoordelingsvrijheid. Deze brengt een terughoudende toetsing door de rechter mee. In beginsel staat slechts ter beoordeling of de Arbeidsinspectie in redelijkheid tot haar beleid met betrekking tot toezicht en controle dan wel tot haar optreden in een concreet geval heeft kunnen komen, gegeven het aan de orde zijnde risico en de haar bekende omstandigheden.

          Van onrechtmatig handelen wegens onvoldoende toezicht door de Arbeidsinspectie kan met name sprake zijn indien de schade van de werknemer in een concreet geval voor de Arbeidsinspectie voorzienbaar was en haar in redelijkheid had moeten nopen tot het nemen van maatregelen waarmee de overtreding die heeft geleid tot die schade, zou zijn voorkomen.

          Een toezichthouder kan nu eenmaal niet op alles en iedereen tegelijkertijd letten. Toezichthouders hebben geen oneindige financiële middelen en evenmin een onbeperkte capaciteit tot hun beschikking; het is een algemeen aanvaard uitgangspunt dat toezichthouders prioriteren en keuzes maken.

        Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers