Governance van toezicht

Laatst bijgewerkt op 147 dagen geleden door Hadewych

Hoofdstuk 4 van de OECD regulatory policy outlook 2018 heeft betrekking op de governance van regulators en toezichthouders. Organisatiecultuur en gedrag van toezichthouders, in combinatie met governancekaders die verantwoording en verantwoordelijkheid bevorderen en met een focus op risico’s en op het meten van output en outcome, zijn immers cruciaal voor de effectiviteit van inspecties. Een goed toezicht- en handhavingssysteem moet er op gericht zijn dat de best mogelijke uitkomsten worden bereikt in termen van risicopreventie en -beheersing en in termen van algemeen belang, zonder hoge kosten voor de overheid of lasten voor ondertoezichtstaanden.

Het verzekeren van compliance en effectieve implementatie van regels en voorschriften vormt een belangrijke factor in een goed lopende samenleving en in het vertrouwen dat mensen in de overheid hebben. De impact van de manier waarop regels worden geïmplementeerd en gehandhaafd heeft minstens evenveel impact op betrokkenen, als de kwaliteit van de regels. Het gaat met name om de houding van inspecteurs.

Bij de ontwikkeling van de governancestructuur rond toezicht moet aandacht worden besteed aan verschillende aspecten:

  1. De rol en positie van toezichthouders in de beleidscyclus (de reflectieve functie van toezicht);
  2. Adequate governancestructuren (organisatorische en institutionele vormgeving);
  3. Ruimte voor flexibiliteit vanwege veranderende context;
  4. Coördinatie tussen toezichthouders;
  5. De relatie en het vertrouwen tussen toezichthouders en de wetgever;
  6. Een cultuur van onafhankelijkheid;
  7. Autonoom management;
  8. Capaciteit voor datamanagement en –analyse;
  9. Effectieve bevordering van compliance.

Ad 1 Toezichthouders beschikken over unieke kennis over trends en ontwikkelingen in hun ondertoezichtstaande domein, en over de naleving van regels en de effecten van beleid. Er moeten mogelijkheden worden gecreëerd voor toezichthouders om die kennis beschikbaar te maken voor het ontwerp en de evaluatie van beleid en voor onderzoek naar de effectiviteit van overheidsbeleid. Het gaat ook om de manier waarop beleid wordt geimplementeerd. Toezichtkennis zou gebruikt moeten worden bij regulatory impact assessment (IAK, uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoetsen) en via stakeholder betrokkenheid.

Ad 2 Toezichthouders beschermen marktneutraliteit, bevorderen concurrentie, helpen bij het verzekeren van toegang, kwaliteit en veiligheid van publieke voorzieningen. Zij vormen een belangrijke interface van beleid en maatschappij. Om hun functies te kunnen vervullen moeten ze onpartijdige, objectieve en evidence-based beslissingen nemen zodat de overheid voorspelbaar en betrouwbaar is waardoor er burgers kunnen vertrouwen op publieke instituties en waardoor investeringen worden bevorderd. Dat vereist goeie governancestructuren waaronder de wettelijke taken, doelen en bevoegdheden van een toezichthouder, financiering, verantwoordingsmechanismen, coördinatie en communicatie met betrokkenen.

Die governance heeft interne en externe dimensies. Intern gaat het om de organisatiestructuur van een toezichthouder, gedragsstandaarden, rollen en verantwoordelijkheden, mechanismen van compliance en verantwoording, intern toezicht op de eigen processen, financiële verslaggeving en resultaatmanagement. Extern gaat het om de verdeling van rollen, bevoegdheden, verantwoordelijkheid en middelen tussen de wetgever, minister, departement, andere autoriteiten in eenzelfde domein, het bestuur van een toezichthouder en de ondertoezichtstaanden.

Ad 5 Er zou gedacht kunnen worden aan het instellen van regelmatige gesprekken tussen toezichthouder en parlement, zodat de toezichthouder een vertrouwde partner wordt waar men zich toe wendt voor technische expertise. Daarmee zou de relatie constructiever worden dan wanneer toezichthouders alleen in geval van crises uitleg moeten komen geven.

Ad 6 Onafhankelijkheid is niet alleen een kwestie van adequate regelgeving maar vooral van cultuur en houding. Zie de praktische handleiding van de OECD.

Ad 7 Autonomie en flexibiliteit van toezichthouders worden deels bepaald door de middelen waarover zij kunnen beschikken. Ze worden geacht om op een hoog niveau van technische expertise en professionaliteit te functioneren, maar ze concurreren wel met hun ondertoezichtstaanden om dezelfde medewerkers.

Governance en personeelsbeleid van toezichthouders moeten in ieder geval transparantie, professionaliteit en resultaatgericht management bevorderen.

Ad 8 Dataverzameling, databeheer en data-analyse bieden kansen voor samenwerking tussen toezichthouders. De technologische vooruitgang en het gebruik van Big Data kan de handhaving meer risicogericht maken door in realtime gevaren te voorspellen of effectief te voorkómen.

Ad 9 Uit onderzoek blijkt dat afschrikking meestal geen positieve impact heeft op het gedrag van ondertoezichtstaanden. Het is van groot belang dat toezichthouders de motieven en redenen voor (niet-)naleving begrijpen en optimaal gebruik maken van gedragsinzichten.

Bovenmatig streng toezicht impliceert wantrouwen, kan tot verdringing van intrinsieke motivatie leiden en bevordert onethisch gedrag. Andersom versterkt evenwichtige en proportionele regulering en toezicht juist ethisch gedrag door doelen en individuele verantwoordelijkheid te bevorderen.

Handhavers moeten in contact treden met ondertoezichtstaanden en waar mogelijk samenwerken, maar wel waken voor capture. Om capture tegen te gaan moet de overheid ervoor zorgen dat ook de burgers die uiteindelijk baat hebben bij goede regulering en toezicht, werknemers, consumenten, cliënten, omwonenden enz., goed vertegenwoordigd zijn en dat de resultaten van toezicht goed gemonitord worden.

 

De OESO heeft zeven best practice principles geformuleerd voor markttoezichthouders, die in grote lijnen net zo goed van toepassing zijn op inspecties:

  • Duidelijkheid over de rol: een effectieve toezichthouder heeft duidelijke doelen en daaraan gekoppelde functies en mechanismen om te zorgen voor coördinatie met andere relevante actoren zodat de gewenste beleidsresultaten worden gerealiseerd.
  • Voorkomen van oneigenlijke beïnvloeding en het bewaren van vertrouwen: toezicht moet worden uitgevoerd met maximale integriteit.
  • Aansturing: bestuur en beleid van toezichthouders moeten gericht zijn op het effectief functioneren, het bewaken van de integriteit en het leveren van de in hun mandaat beoogde resultaten.
  • Het afleggen van verantwoording en openheid: toezichthouders moeten zich verantwoorden over de besteding van publieke middelen, het gebruik van bevoegdheden, en het behalen van resultaten richting regering en parlement, ondertoezichtstaanden, en het publiek.
  • Interactie: goede toezichthouders zorgen voor interactie met betrokkenen als onderdeel van hun primair proces. De kennis die ze daarmee opdoen over hun ondertoezichtstaande domeinen bevorderen hun effectiviteit.
  • Financiering: handhavingsbesluiten mogen niet worden beïnvloed door financieringsoverwegingen.
  • Effectevaluatie: toezichthouders moeten hun impact monitoren en evalueren en daarvan leren.

Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers