Navigatiemenu

Staatscommissie parlementair stelsel

Laatst bijgewerkt op 6 dagen geleden door Hadewych

De afgelopen twee jaar heeft de staatscommissie parlementair stelsel (commissie-Remkes) onderzocht hoe het parlementair stelsel verbeterd kan worden. Verbetering slaat op de werking van de democratie; op de rechtsstaat; en op het samenspel van beide Kamers. De staatscommissie start met een uitgebreide analyse, die goed aansluit bij het beeld dat er vanuit het toezicht wordt gezien: de samenleving is mondiger, diverser, complexer, er is polarisatie en afnemend vertrouwen in gezag, kennis en informatie.

In het eerste deel van de aanbevelingen (verbetering democratie) doet de commissie een aantal voorstellen om de representativiteit van de Tweede Kamer te verbeteren waardoor de legitimiteit van wetgeving zou kunnen verbeteren. Daarnaast zou de inbreng van burgers in de besluitvorming kunnen verbeteren door de mogelijkheid van een bindend correctief referendum (dus achteraf), door het eenvoudiger maken van burgerinitiatieven, en door forse verbetering van de internetconsultatie. Als dat gaat werken wordt het proces van wetgeving en beleidsvorming veel inzichtelijker en opener, waardoor de onderbouwing misschien verbetert. Dat zou kunnen leiden tot verbetering van de vragen naar kennis, ook kennis die inspecties hebben over het domein waarop het beleid wordt gericht. Het zou kunnen leiden tot beter onderzoek naar uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van regels en betere toelichting over de afwegingen die worden gemaakt bij de keuzes voor bepaalde beleidsinstrumenten. Als er toezicht wordt ingericht om beleidsdoelen te bereiken, zal expliciet moeten worden aangegeven hoe dat toezicht dan zou moeten gaan werken. (Dat is nu al het geval in het kader van het IAK, maar met vergroting van de openheid van het beleidsvormingsproces ligt het voor de hand dat er meer druk ontstaat op beleidsambtenaren om afwegingen duidelijk te maken.)

Het volgende deel heeft betrekking op de checks and balances in de rechtsstaat.[1] Onafhankelijke autoriteiten als DNB en AFM bijvoorbeeld worden door de staatscommissie als noodzakelijke ‘tegenmachten’ gezien.[2] Daarmee maakt de commissie een duidelijk onderscheid tussen inspecties, die rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van een minister vallen, en autoriteiten zoals verschillende markttoezichthouders en bijvoorbeeld ook de AP, die zbo’s[3] zijn waar regering of parlement maar beperkt zeggenschap over uitoefenen.

De nadruk die de staatscommissie legt op checks and balances kan door toezichthouders ook aangegrepen worden om hun rol als onafhankelijke ‘tegenmacht’ te benadrukken. Het is wel een vraag wat er nodig is om zowel onafhankelijke tegenmacht als politiek-bestuurlijke verantwoording goed vorm te geven.

De rechtsstaat zal volgens de staatscommissie ook versterkt worden als er een wet op politieke partijen komt, waarin onder meer wordt geregeld op welke manier partijen gebruik mogen maken van (digitale/gedragseconomische) marketingtechnieken in hun campagnevoering. De staatscommissie stelt bovendien voor om toezicht daarop te organiseren, hetzij door een nieuwe toezichtinstantie hetzij door die taak bij een bestaande toezichthouder te beleggen.

In het deel over de werking van het parlement wordt ingegaan op de oekaze-Kok en op de onderzoeksmogelijkheden van het parlement. Volgens de staatscommissie moet het verbod op rechtstreeks contact tussen parlement en ambtenaren worden geactualiseerd. “De staatscommissie beveelt aan dat Tweede Kamerleden op verzoek, snel en op een eenvoudige manier toegang krijgen tot de kennis en de informatie die op de ministeries aanwezig is.” De Kamers zouden ook zelf moeten kunnen beslissen om bestuurders en medewerkers van ZBO’s uit te nodigen zonder dat de bewindspersoon daar toestemming voor zou moeten geven.

Als deze aanbevelingen overgenomen worden, wordt het eenvoudiger voor het parlement om IG’s en toezichtmedewerkers te bevragen.

 

[1] “Machtenspreiding wordt ook wel aangeduid als macht en tegenmacht (‘countervailing powers’) of de noodzaak van voldoende checks and balances. Dat betekent dat de ene macht de andere macht controleert en corrigeert. Dat kan tot spanningen leiden wanneer verschil van inzicht bestaat waar de grenzen liggen van ieders taken en bevoegdheden. Die spanningen zijn geen zwakte, maar idealiter juist de kracht van het geheel: een kritische onderlinge bejegening houdt de machten scherp.” p. 33

[2] “Naast de rechtsspraak zijn er ook andere onafhankelijke, onpartijdige instellingen met een publieke taak, gericht op het dienen van (een aspect van) het algemeen belang. Evenmin als de rechter beschikken zij over een electoraal mandaat. Tot deze instellingen (in het Engels wel non-majoritarian institutions genoemd), behoren onder meer zbo’s, De Nederlandsche Bank, de Autoriteit Financiële Markten, en het Commissariaat voor de Media. Verondersteld wordt dat dat beter via deze onafhankelijke instellingen kan gebeuren dan door de ‘partijdige’ en vaak kortademige politiek zelf. Omdat zij een normatief-theoretische onderbouwing als die van de trias politica ontberen, 38 is hun legitimiteit zwakker dan die van de onafhankelijke rechter.” pp. 51-52

[3] Zie de definitie van artikel 1, onder a, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen: ‘zelfstandig bestuursorgaan: een bestuursorgaan van de centrale overheid dat bij de wet, krachtens de wet bij algemene maatregel van bestuur of krachtens de wet bij ministeriële regeling met openbaar gezag is bekleed, en dat niet hiërarchisch ondergeschikt is aan een minister.’ p. 323

Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers